Dinsdag t/m zaterdag van 11.00 tot 17.00 uur geopend

‘Mijn moeder is nooit meer in de trein gestapt’

Victorina Roosje (Rieneke) Klompmaker-Jacobs overleefde als Joods meisje de oorlog dankzij de onderduik op vijf adressen rond Elburg. De mediatour ‘Met Roosje door Joods Elburg’ is op haar levensverhaal gebaseerd. Zoon Aart Klompmaker vertelt wie Rieneke was die zich later weer Victorina liet noemen ― Victorina Roosje (Rieneke) Klompmaker-Jacobs (1929-2017).

Mijn moeder heeft, na de oorlog, net als zoveel andere mensen, niet veel gezegd. De oorlog was voorbij, en niet alleen Joodse mensen maar ook niet-Joodse mensen hadden zoiets van: niet zeuren, de oorlog is voorbij, er moet gewerkt worden, klaar. Het zwijgen van mijn moeder leidde tot aparte situaties. Zo wist ik bijvoorbeeld heel lang niet dat ik Joods was. Dat ontdekte ik pas toen ik tien, twaalf jaar was. Toch vermoedde ik dat er iets was. In de slaapkamer van mijn ouders hing een foto van opa en oma uit Oosterwolde. Maar er hing ook een foto van twee andere oude mensen: de ouders van mijn moeder. Op een of andere manier voelde je dat je over deze mensen geen vragen mocht stellen. Zo van: wie zijn dat dan? Waarom heb ik maar één opa en oma?

Verdriet
Mijn moeder heeft haar verdriet heel lang voor zich gehouden. Net als vele andere mensen die zwaar traumatische dingen hebben meegemaakt, had zij ook zoiets van: laten we er maar niet over praten. Pas veel later, toen ik al lang was getrouwd met Gerda, begon mijn moeder iets te vertellen over vroeger. Het zal in de jaren tachtig of nog later zijn geweest. Gerda drong er een keer bij mijn moeder op aan om haar geschiedenis op te schrijven. Toen was ze ook opeens nieuwsgierig naar foto’s van vroeger en kon ze het aan om het verleden onder ogen te zien en op een normale manier te vertellen.

Bril
Pas op dat moment kwam het verhaal van mijn moeder uit de doeken zoals het uiteindelijk in de boeken terechtgekomen is. We zijn met moeder een keer naar Amsterdam geweest, naar het huis waar ze woonden, dan merk je opeens wat het geweest moet zijn. Ook zijn we samen met haar naar de adressen geweest waar ze ondergedoken was, onder meer bij Jan Spronk. Ze wist zich te herinneren dat ze daarboven sliep, en ’s nachts de po uit het raam kieperde, dat de dameskleding bij een boer aan de overkant werd verstopt, want Jan Spronk was een alleenstaande boer. Meerdere keren heeft ze moeten rennen voor haar leven. Een keer verloor ze haar bril, die gelukkig werd teruggevonden.

Amsterdam
Mijn moeder werd in Den Helder geboren en ging later met haar ouders naar Amsterdam. Haar vader werkte bij de Marine als sergeant-verpleger. Door een gehoorprobleem werd hij afgekeurd en kon hij niet blijven bij de Marine. Hij begon een zaak in Amsterdam, een Joods Lokaal heette dat, het voordeel was dat ze op zondag open waren. Amsterdammers gingen dan bootje varen op zondag en gingen bij het Joods Lokaal broodjes halen.

Alleen en verlaten
Toen het spannender werd na de Duitse inval, moesten de Amsterdamse Joden allemaal verhuizen naar een ander deel van de stad. Zo ook mijn moeder. Ik heb daar later met haar, mijn vader en Gerda de wandeling gemaakt, van het oude naar het nieuwe huis. Daarna is de onderduiktijd begonnen. We zochten de plekken waar zij als kind speelde. Ze had rolschaatsen en moest goed opletten. In het boek Oldebroek in Oorlogstijd vertelt ze daar meer over. Daarin schrijft ze dat ze op 5 mei 1945 bij het huis van haar grootouders in de Vischpoortstraat 1 stond, terwijl bevrijd Elburg feest vierde. Maar zij voelde zich alleen en verlaten. De achterliggende jaren had ze op vijf verschillende onderduikadressen gezeten*. Toen de oorlog afgelopen was, waren er verschillende familieleden die aan haar trokken: kom maar naar Amsterdam. Maar ze wimpelde dat af: daar heb ik geen zin in, ik ben nu al zo lang in Oldebroek. Ik had nogal een pittige moeder, recalcitrant, zoals ze zelf zei.

Bart
Na de oorlog werkte ze eerst bij een tandarts, vervolgens op een boerderij, daarna op een kantoor. Ze hoefde geen uitkering want ze had ‘twee rechterhanden’. Vrij snel na de oorlog, ze was toen zestien, heeft ze mijn vader Bart Klompmaker ontmoet, een niet-Joodse Oosterwoldense boerenjongen, die wel wat gewend was met onderduikers**. Bart Klompmaker was een leeftijdgenoot en wist wat het betekende om Joods te zijn. Mijn vader was rustig van aard, een man van weinig woorden. Hij fietste op met mijn moeder en zei: “Ik weet wie je bent, Rienie. Voor mij hoef je niet bang te zijn.” Mijn vader gaf mijn moeder de tijd, hij was lief en zorgzaam.

Brieven
Mijn overgrootmoeder was Esther de Lange-Cracau, die in Elburg aan de Vischpoortstraat 1 woonde. Mijn moeder vond logeren heel leuk, ze had daar een fietsje en daar moest ze voor betalen, een belastingplaatje. Dat wist ze nog. Later is ze bij Jan Spronk op haar onderduikadres terechtgekomen en daar definitief gebleven. In jullie archief van het museum zit een laatste brief van haar ouders naar haar. Het is een liefdevolle brief; mijn moeder heeft wel steeds brieven kunnen schrijven aan haar ouders. Dan komt het moment dat dat niet meer kon, niet precies wetend, wel dat haar ouders weggevoerd waren, eerst naar de Hollandse Schouwburg, toen naar Westerbork. Daar kon je soms een paar weken blijven en dan werd er geselecteerd en ging je. Degenen die op transport kwamen, gingen naar het Oosten.

Trein
Mijn moeder had al heel vroeg door dat er iets mis was. Dat ze op het station staat in
Amsterdam, haar ster afdoet, en fluit en haar zus steekt haar sjaal uit het raam… een verschrikkelijk verhaal. Haar broer en zus waren veel ouder. Zij was een jaar of zes zeven jonger dan Abraham en Esther, die dus op die dag werden weggevoerd en nooit meer zouden terugkomen. Dit leidde ertoe dat mijn moeder nooit meer in de trein is gestapt. Ze kon geen trein verdragen en is nooit ergens met de trein heen geweest.

Verwarring
Toen de oorlog was afgelopen was dat voor iedereen maar vooral voor Joodse mensen een heel bijzondere ervaring. De meeste mensen verkeerden in een roes, in een geweldige euforie. Er was een einde gekomen aan vijf jaar ellende. Ook heerste er veel verwarring. Er was veel kapot, hoe moest het nu verder? Maar er was wel weer perspectief. Daarentegen was de bevrijding voor mijn moeder een heel andere gewaarwording. Het huis van haar grootouders was een puinhoop, een vreselijke ruïne, er was jarenlang geen onderhoud aan gepleegd. Het huis was ooit eigendom van de opa Abraham de Lange, die al voor de oorlog was overleden. Hij zal het huis hebben nagelaten aan zijn echtgenote Esther de Lange-Cracau, de oma van onze moeder. Was er iemand die het huis kon opeisen?***

Servies
Er waren mensen uit Elburg die naar onze moeder toe kwamen toen ze haar weer zagen. ‘We hebben de klok van jouw moeder in bewaring gekregen. Hier heb je hem terug. De klok heeft ze onder haar arm meegenomen, kijk, deze klok!’ Ze maakte het ook mee dat iemand opeens zogenaamd niet meer wist waar dit of dat was gebleven, zo pijnlijk! Het servies dat ze had, heeft ze aan Museum Sjoel Elburg geschonken.****
Na de oorlog ging mijn vader dagelijks met de bus met vele anderen vanuit de Noord-Veluwe naar Ede, de Enka-fabriek, die veel personeel nodig had en waar hij het een wintertje had geprobeerd. In Bennekom konden mijn ouders een huis kopen en uiteindelijk werkte mijn vader meer dan veertig jaar bij de Enka. Rond 1950 verhuisden mijn ouders naar een bovenhuis aan de Damstraat in Ede, waar hun de oudste zoon Micha werd geboren.

Victorina
Tot twintig jaar voor haar dood in 2017 heette mijn moeder Rieneke (van Victorina). Victorina was te deftig in Oldebroek. “Ik wil nu weer Victorina heten”, zei ze veel later. Mijn vader deed als eerste heel erg zijn best dat te doen, hij begreep dat helemaal. Mijn moeder was echt Joods. Tijdens haar onderduik liep ze van tafel als er werd gebeden. Maar ze werd gegrepen door de verhalen uit het Oude Testament die ‘oom Jan’ voorlas. Jan Spronk las uit respect voor zijn Joodse onderduikers altijd uit het Oude Testament. Alleen met Kerst las hij uit het Nieuwe Testament, over de geboorte van Jezus. Rieneke in Oldebroek in Oorlogstijd: “Ik weet nog hoe verbaasd ik was dat hij stukken uit de Bijbel las die ik als kind moest leren vertalen vanuit het Hebreeuws in het Nederlands” en ook: “… door de Heilige Jaloezie die mede door Jan Spronk in mij gewekt was, heeft mijn geloofsleven een nieuwe dimensie gekregen.” Door zijn houding ― hij riskeerde de dood als de Duitsers erachter kwamen dat hij onderduikers herbergde ― is zij uiteindelijk overgegaan van het joodse naar het christelijke geloof. Hier heb ik nog een kruikje: dat heeft mijn moeder geërfd toen oom Jan overleed.

Máxima
Pas veel later besefte ik wat de oorlog betekend heeft in haar leven. Ik had een buitengewoon lieve moeder, maar ze was streng voor zichzelf. Je hoefde niet met zielige dingen thuis te komen. Ze hield erg veel van muziek, pianospelen was haar lust en haar leven, ook later in het verpleeghuis en zij dementie kreeg. Je zette haar in de rolstoel achter de piano en ze speelde! In 2012 ontmoette zij Máxima, toen nog prinses, bij de opening van de verbouwde sjoel. Dat vond ze geweldig. De foto’s had ze in haar tasje en tegen iedereen die het wilde weten zei ze trots: dat is Máxima. Toen ze dementie kreeg, was ik bang dat de Duitsers haar in haar laatste jaren terug zouden pakken. Gelukkig is ze daarvoor bewaard gebleven.
Zie ook: https://sjoelelburg.nl/huilen-tijdens-het-bevrijdingsfeest/

*De onderduikadressen waren: Epe, in Oldebroek twee adressen (Vierhuizerweg 12 bij Jan Spronk en na de razzia tien dagen bij Jannes Vaessen aan de Bovendwarsweg), Oosterwolde, Noordeinde.
** Bij de familie Klompmaker waren ook Joden ondergedoken: de familie Visser en hun dochter Dorethea, klik hier voor meer informatie. De dochter heeft voor Aart en Riemke Klompmaker de Yad Vashem-onderscheiding aangevraagd.
***Nazaten van Esther de Lange-Cracau die de oorlog overleefden waren: zoon Aron de Lange, zijn vrouw Liba de Lange-Kopinsky, haar schoonzoon Arnold Sloves, haar kleinzoon Abraham de Lange en haar kleindochters Victorina Roosje Jacobs en Hanna Esther Cardozo. Zij waren de erfgenamen.

****In een vitrine van Museum Sjoel Elburg is een mooi porseleinen servies te zien. Het is het theeservies van Esther de Lange-Cracau, gemaakt in Silezië rond 1920. Esther de Lange werd in Sobibor vermoord. Het servies bleef in de familie en kwam uiteindelijk bij haar kleindochter Victorina Roosje Klompmaker-Jacobs terecht. Rieneke overleefde als meisje de oorlog in Elburg en schonk het servies aan het museum.

(Gesprek 24 april 2024, opgetekend door Marie Verheij-van Beijnum)