Dinsdag t/m zaterdag van 11.00 tot 17.00 uur geopend

Oldebroek – Zuiderzeestraatweg 31- H. Boeve

Op 11 mei 1943 duikt de 11-jarige Enny Jacobs onder bij verzetsleider Hendrik Boeve en zijn vrouw Hendrikje Boeve-van Loo, op Zuiderzeestraatweg 31 in Oldebroek. Het is haar zevende onderduikadres. Ze is met haar ouders in 1939 naar Vierhouten verhuisd. Vader Mozes Jacobs kreeg toen bij de A.J.C. (Arbeiders Jeugd Centrale) een aanstelling als gymnastiekleraar. In januari 1941 zijn ze naar Hulshorst verhuisd, omdat haar vader ontslagen wordt omdat hij een jood is. Mozes is actief in het verzet en wordt in april 1943 gearresteerd. Zijn gezin is dan al op verschillende plekken ondergedoken.

Enny heeft het naar haar zin in Oldebroek. Naar school gaan is te gevaarlijk, dus helpt ze mee in de huishouding. Elke week moet ze een psalmversje uit haar hoofd leren, net als de andere Oldebroekse schoolkinderen.

Vlak na Pinksteren 1944 duikt er nog een joods meisje bij Boeve onder: de 12-jarige Sonja Zelewicz. Ze is in 1938 uit angst voor het naziregime uit Duitsland gevlucht en als pleegdochter opgenomen in het Voorburgse gezin van Arend Meijers. Met de Meijers is zij in 1943 ondergedoken in Oldebroek. Eerst bij de familie Van Putten, vervolgens bij de familie Dekker en daarna in een hut in het bos van de familie Pot, aan de Bovendwarsweg. Daar is ook een hut gemaakt voor de families Weijel en Noach.

Met Pinksteren 1944 worden de hutten door de Duitsers ontdekt. De onderduikers zijn op tijd gewaarschuwd en direct vertrokken. De familie Meijers krijgt een nieuw onderduikadres in Oosterwolde, bij Hendrik van de Streek. Sonja wordt meegenomen door Hendrik Boeve. Ze slaapt samen met Enny en Jantje, de dochter van Boeve, in een tweepersoons bed. Als ze na urenlang kletsen eindelijk gaan slapen zeggen ze samen een versje op. Enny citeert dat versje in 1995, in haar bijdrage voor het boek Oldebroek in oorlogstijd. Schuilplaats voor vreemdelingen: ‘Welteruste, kop in ’t kussen, voten in ’t stro, slapie zo.’

Sonja en Enny worden op 6 juli 1944, na een razzia in Oosterwolde, per fiets door Boeve naar de familie Margré bij het stoomgemaal aan de Zomerdijk gebracht. Na een paar weken gaan ze terug naar Oldebroek.

In de winter van 1944/1945 heeft Enny weer contact met haar moeder en zus. Enny: ‘Oom (zo noemt ze Hendrik Boeve) kwam een keer thuis en zei tegen me: je moet de groeten van een goede kennis van je hebben. Ik vissen wie het was. Bleek het mijn moeder te zijn. Ze had een plekje bij de familie Zoet aan de Molenweg in Elburg gekregen…Toen mocht ik een keer mee achterop de fiets naar Elburg bij mijn moeder een dagje op bezoek. Dat was fijn en nadien is dat nog wel eens voorgekomen. Ook voor mijn oudste zuster (Carla) had oom een plekje bij de familie Spaan op ’t Harde gevonden. Daar mocht ik ook wel eens heen. Mijn jongste zus was in Zwolle. Oom had net zo lang gezocht tot hij haar gevonden had en kon mijn moeder vertellen dat het heel goed met haar ging.’

Enny en Sonja overleven de oorlog in Oldebroek. Enny: ‘In april is Oldebroek bevrijd. Het was prachtig weer. En wel of geen bevrijding, ’s morgens werd er eerst gepoetst, want het was schoonmaaktijd.’ ’s Middags loopt ze naar haar moeder in Elburg. Haar beide zusjes zijn daar dan al. Na enkele weken horen ze dat vader Mozes Jacobs op 9 juli 1943 vermoord is in Sobibor. In augustus krijgt het gezin Jacobs een woning in Nunspeet.

Sonja Zelewics blijft tot november 1945 bij de Boeves. Toen heeft ze met het Rode Kruis de overtocht naar Engeland gemaakt, naar haar ouders. Daarna is ze naar Canada geëmigreerd.

Bronnen:

  • Visser, A. (red.), ‘Contacten met de L.O. te Oldebroek’ en ‘Enny Jacobs’ in Oldebroek in Oorlogstijd. Schuilplaats voor vreemdelingen (Wezep 1995)