Dinsdag t/m zaterdag van 11.00 tot 17.00 uur geopend

Oldebroek – Feithenhofsweg 3 – J. van ‘t Hul

In maart 1943 duiken Kurt en Kitty Mühlfelder-Troostwijk uit Zwolle en hun dochtertje Marlies onder bij Jaap van ’t Hul en zijn vrouw Petertje van ’t Hul-Koornberg, op Feithenhofsweg 3 in Oldebroek. De Van ’t Huls hebben vier kinderen: Henk, Stiena, Beerd en Dirk. Boven een bedstee wordt een schuilplek gemaakt. Bij de buren, de familie Wessels, zijn de ouders van Kitty, Arthur en Dora Troostwijk, ondergedoken. Ze bezoeken elkaar dagelijks.

Op 7 december 1943 wordt de familie Van ’t Hul al vroeg in de morgen door een koerierster gewaarschuwd dat er een razzia op komst is. Max en Kitty verdwijnen onmiddellijk in de schuilplek. Marlies wordt meegegeven met Reyer Strijkert, die aan de Bovenstraatweg woont. Hij fietst met het meisje de Feithenhofsweg op en wordt daar aangehouden door de Duitsers. Zij vragen of Marlies een jodin is, maar Reyer vertelt hen dat zij zijn eigen dochtertje is. Hij zal de papieren wel even ophalen. Reyer fietst terug naar het huis van Van ’t Hul, gooit de fiets van zich af en rent met Marlies de andere kant op. De overvallers schieten nog op hen, maar Reyer en Marlies ontsnappen. Inmiddels is de huiszoeking bij de Van ’t Huls in volle gang. In de ruimte onder de bedstee wordt een kostuum van Kurt gevonden, waarop een Jodenster zit. Volgens de Duitsers een bewijs dat er joden in huis zijn. Petertje van ’t Hul houdt echter hardnekkig vol dat ze dit kostuum voor haar man op de markt in Zwolle heeft gekocht. Ze had niet voldoende kledingbonnen om een nieuw exemplaar te kopen. Als de kinderen thuis komen uit school beloven de Duitsers hen snoepjes als ze vertellen waar de joden zijn. Zij laten zich echter niet verleiden: ‘Wij hebben geen joden’, is hun antwoord. In de loop van de middag vertrekken de overvallers met lege handen. Ook bij de buren worden de joden niet gevonden. Marlies wordt diezelfde avond naar Kampen gebracht, naar een broer van buurman Wessels. Als geadopteerd kind overleeft zij daar de oorlog.

In februari 1944 volgt opnieuw een huiszoeking, ook dit keer zijn ze gewaarschuwd. Jaap van ’t Hul rent vlug naar de buren. Omdat de Wessels afwezig zijn helpt hij Arthur en Dora Troostwijk in hun schuilplek. Henk van ’t Hul, de oudste zoon van Jaap, helpt Kurt en Kitty. Opnieuw worden de schuilplekken niet ontdekt. De onderduikers durven echter niet langer aan de Feithenhofsweg te blijven. Voor hen is het duidelijk dat ze verraden zijn. Kurt en Kitty duiken een aantal maanden onder bij de familie Draaijer in Oostendorp en gaan daarna naar een onderduikadres in Zwolle. Daar overleven zij de oorlog. Arthur en Dora gaan naar de familie Spijkerboer aan de Laanzichtsweg.

Na het vertrek van de Mühlfelders en de Troostwijks zijn er een week later aan de Feithenhofsweg opnieuw huiszoekingen, nu midden in de nacht. Weer druipen de overvallers zonder resultaat af. Daarna zijn er geen huiszoekingen meer geweest.

Bronnen:

  • Visser, A. (red.), ‘Belevenissen met joodse onderduikers. Vijf op een rij’ in: Oldebroek in oorlogstijd (Wezep 1995)
  • H. van ‘t Hul