Dinsdag t/m zaterdag van 11.00 tot 17.00 uur geopend

Nunspeet – Boterdijk 29 – Huize Keizershof

Vleeswarenfabrikant Louis Gast en zijn vrouw Bertha Gast-Muller duiken onder in Huize Keizershof op Boterdijk 29 in Nunspeet. Zijn neef, Berthold Isidor van Esso en diens vrouw Louise Roozendaal zijn ondergedoken op Gerard Vethlaan 15. Ze gaan regelmatig bij elkaar op bezoek.

Op 11 april 1945 vindt Jan Willem Jansen in het Berkenlaantje te Nunspeet een pak met ƒ10.500, enkele brieven en twee persoonsbewijzen. Op advies van een voorbijganger brengt hij zijn vondst naar de marechausseekazerne. De aanwezige agent verstopt de brieven, omdat ze voor het verzet gevaarlijk kunnen zijn. Het geld en de persoonsbewijzen komen in handen van groepscommandant Karst Doeven, een beruchte jodenjager. Afgaande op de foto’s vermoedt Doeven dat de persoonsbewijzen wel eens van joden zouden kunnen zijn. Hij gaat onmiddellijk op pad en komt op de Molijnlaan personen tegen die hij van de foto’s herkend: Louis Gast en het echtpaar Van Esso. Hij arresteert hen en neemt hen mee naar de marechausseekazerne. Bij fouillering wordt bij Louise ƒ 2000.- gevonden en bij Berthold ook ƒ2000.- . Louis Gast heeft een persoonsbewijs bij zich op naam van Lodewijk Gerritsen, Berthold op naam van Huibert de Jonge en Louise op naam van Isabella de Wit. Doeven ziet als snel dat het valse persoonsbewijzen zijn. Tijdens het verhoor door Ortskommandant Leonard G. Beck bekennen Gast en Esso dat ze joden zijn. Louise blijft ontkennen. De Duitsers vermoeden dat ze een verzetsstrijdster is.

De Duitsers in de marechausseekazerne staan op 11 april op het punt om Nunspeet te verlaten. Na de bekentenissen van Gast en Esso zit Ortskommandant Leonard G. Beck met een probleem: ze mogen volgens instructie van Himmler bij terugtrekking geen vijanden achterlaten. De Sicherheitsdienst wordt ingeschakeld. SD-Unterstürmführer Paul Hardegen concludeert dat de arrestanten terroristen zijn en dat ze gedood moeten worden. Luitenant Albin A. Schwarze krijgt de opdracht het vonnis te voltrekken. Hij weigert Louise te doden. Dat wordt geaccepteerd. Op de avond van 13 april rijdt Schwarze, vergezeld door enkele collega’s, met Gast en Van Esso naar de haven van Elburg. Met vier kogels worden ze door hem vermoord. ‘Befehl ist Befehl’. De volgende dag worden de lijken gevonden en naar de begraafplaats van Elburg gebracht. Daar worden ze door Nunspeetse verzetsmensen geïdentificeerd en vervolgens begraven.

Louise van Esso-Roozendaal is midden in de nacht van 11 op 12 april naar Vierhouten gebracht. Daar wordt ze opnieuw verhoord en mishandeld. De volgende dag wordt ze naar Kamp Amersfoort gebracht. Ze is op 17 april bevrijd.

Na de oorlog is Berthold Isidor van Esso herbegraven op het Ereveld in Loenen. Louis Gast op de Israëlitische Begraafplaats in Amersfoort. Naast hem wordt zijn enige zoon Davy Albert herbegraven. Davy is in juni 1944 in Lienden vermoord.

Het Bijzonder Gerechtshof te Arnhem veroordeelt Ortskommandant Leonard G. Beck en zijn assistent Albin A. Schwarze in 1948 tot acht jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Van de SD’er Paul Hardegen is niet bekend of hij voor een rechtbank is gebracht. Jodenjager Karst Doeven is in 1947 veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

Bronnen:

  • Zwaan, Hans, ‘De moord op Berthold van Esso en Louis Gast’, in Tijdschrift Oud Meppel, maart 2015
  • Zwaan, Hans, ‘De nasleep van de moord op Van Esso en Gast’, in Tijdschrift Oud Meppel, juni 2015