Dinsdag t/m zaterdag van 11.00 tot 17.00 uur geopend

Doornspijk – Koopsweg 7 – G.J. Hop

Bij de familie G.J. Hop op Koopsweg 7 duikt in 1942 de in Elburg geboren Joop de Lange onder. Hij woont vanaf het voorjaar van 1940 met zijn ouders Hartog en Susanne de Lange-Heimans en zijn pleegzus Betty Siebzehner op Zuiderzeestraatweg 108 in Doornspijk. Joop heeft in juni 1940 zijn opleiding aan het Gymnasium in Zwolle met succes afgerond en studeert aan de Hogere Landbouwschool. Deze studie heeft hij door de oorlog moeten afbreken.

In mei 1942 verlaat Joop de familie Hop. Hij heeft gesolliciteerd naar een baan bij de joodse psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bosch en is aangenomen als tuinman. De inrichting heeft op 1 april 1942 alle niet-joodse medewerkers ontslagen en werft in het gehele land nieuwe joodse medewerkers. Zijn tante Rosalie Heimans is al vanaf 1930 in het Apeldoornsche Bosch hoofd van de keuken.

Joop wordt vanwege zijn werk in de inrichting ‘gesperrt’, vrijgesteld van deportatie. Hij krijgt verkering met leerling-verpleegkundige Jetty Hes, dochter van de administrateur van de inrichting. Tot eind 1942 voelt het personeel zich veilig: de inrichting krijgt als snel de bijnaam ‘de Joodse Hemel’. Dat verandert begin januari 1943. Dan doen voor het eerst de geruchten de ronde dat het Apeldoornsche Bosch zal worden ontruimd. De patiënten zullen naar Duitsland worden overgebracht, naar een andere inrichting. Een grote groep personeelsleden besluit de patiënten niet aan hun lot overtelaten. Ook Joop en Jetty blijven. Ongeveer de helft van het personeel en een aantal patiënten vertrouwen het niet: ze verlaten de inrichting en duiken onder.

Joop de Lange krijgt kort daarna bezoek van zijn Doornspijkse vriend Bartus van den Bosch. Hij dringt er bij Joop op aan om de inrichting te verlaten en ook onder te duiken. Joop weigert. Hij blijft bij zijn besluit. In de nacht van 21 op 22 januari worden 869 patiënten uit het Apeldoornsche Bosch, 94 zwakzinnige joodse kinderen uit het Apeldoornse kindertehuis Achisomog en 52 personeelsleden met vrachtwagens naar het station van Apeldoorn gebracht. Daarvandaan worden ze in veewagons, onder mensonterende omstandigheden, gedeporteerd naar Auschwitz. Een aantal patiënten overlijdt onderweg. De nog levenden worden vermoord.

De driehonderd overgebleven personeelsleden zijn naar kamp Westerbork gedeporteerd, ook Joop en Jetty. De ‘sperres’, van het personeel van het Apeldoornsche Bos zijn na de deportatie ‘geplatzt’, ongeldig verklaard.

Joop en Jetty trouwen op 17 februari 1943 in Westerbork. Tante Rosalie is getuige. Joop de Lange, Jetty de Lange-Hes, moeder Rachel Hes-Prins, zus Esther Hes en tante Rosalie Heimans worden op 20 juli 1943 naar Sobibor gedeporteerd en daar op 23 juli vermoord.

Bronnen:

  • Norel, Willem van, Joods Leven in Elburg (Wezep 2014)
  • Holocaust-archief Bad Arolson
  • Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch